Artikel 8:94

1. Op het verzoek en de behandeling daarvan zijn de artikelen 6:6, 6:14, 6:15, 6:17, 6:21, 6:24, 8:8 tot en met 8:28, 8:29 tot en met 8:51, 8:52 tot en met 8:55, 8:56 tot en met 8:69, 8:71, 8:74 tot en met 8:80 en 8:81 tot en met 8:87 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing is indien de schade is veroorzaakt door een besluit als bedoeld in artikel 26 van die wet.
2. In afwijking van het eerste lid is bij indiening van het verzoek overeenkomstig artikel 8:91 geen griffierecht verschuldigd.

 

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2013 ingevoegd bij wet van 31 januari 2013, Stb. 2013, 50 (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten; kamerstukken 32 621)
Voorontwerp

Op de behandeling van het verzoek zijn de artikelen 6:5, tweede en derde lid, 6:6, 6:14, 6:15, 6:17, 6:21 en 8:7 tot en met 8:87 van overeenkomstige toepassing.

Advies RvS

10. Ingevolge artikel 8:94 zijn op het verzoek en de behandeling daarvan een aantal artikelen van hoofdstukken 6 en 8 van de Awb van overeenkomstige toepassing, die betrekking hebben op het bezwaar en beroep tegen besluiten. De Raad mist in de toelichting een uiteenzetting over de betekenis hiervan voor de verzoekschriftprocedure. Te denken valt aan onderwerpen als de procesverantwoordelijkheid, de omvang van het feitenonderzoek, de omvang van het geding. Doordat in het voorstel het besluitkarakter wordt losgelaten en geen sprake meer is van een geding over een besluit, ligt een verwijzing naar die artikelen niet voor de hand. Zo kan artikel 8:70 niet van overeenkomstige toepassing worden verklaard, zoals dat nu ook al niet het geval is bij artikel 8:73 Awb. Ook 8:80 lijkt moeilijk toepasbaar. Onduidelijk is voorts waarom artikel 6:24 in de opsomming ontbreekt.
Gelet op het voorgaande adviseert de Raad in de toelichting nader in te gaan op de verschillen en overeenkomsten van de beide procedures en aan de hand daarvan een eigen regeling voor de verzoekschriftprocedure uit te werken, dan wel de van overeenkomstige toepassingverklaring per artikel te motiveren en artikel 8:94 zo nodig aan te passen.

Nader rapport

10. Het advies van de Raad is gevolgd.

Voorstel van wet

1. Op het verzoek en de behandeling daarvan zijn de artikelen 6:6, 6:14, 6:15, 6:17, 6:21, 6:24, 8:8 tot en met 8:28, 8:29 tot en met 8:51, 8:52 tot en met 8:55, 8:56 tot en met 8:69, 8:71, 8:74 tot en met 8:80 en 8:81 tot en met 8:87 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing is indien de schade is veroorzaakt door een besluit als bedoeld in artikel 26 van die wet.
2. In afwijking van het eerste lid is bij indiening van het verzoek overeenkomstig artikel 8:91 geen griffierecht verschuldigd.

Memorie van toelichting

Dit voorschrift verklaart belangrijke delen van het bestuursprocesrecht zoals geregeld in de hoofdstukken 6 en 8, van overeenkomstige toepassing op de verzoekschriftprocedure. Dit komt de uniformiteit en de eenvoud van de procedure ten goede. Aangezien de van overeenkomstige toepassing verklaarde bepalingen volledig zijn toegesneden op het besluit als aanknopingspunt voor de rechterlijke procedure, is per voorschrift bezien of de bepaling van overeenkomstige toepassing kon worden verklaard of dat moest worden voorzien in een aanvullende bepaling. Het feit dat een verzoek wordt toe- of afgewezen, brengt met zich mee dat sommige bepalingen, zoals de artikelen 8:70 en 8:72, naar hun aard niet van overeenkomstige toepassing kunnen zijn op de verzoekschriftprocedure. Deze bepalingen zijn dan ook niet van overeenkomstige toepassing verklaard.
Hierna volgt een nadere toelichting op een aantal bepalingen dat van overeenkomstige toepassing is verklaard.
De rechter kan het verzoek op grond van artikel 6:6 niet-ontvankelijk verklaren indien niet aan de vereisten voor het in behandeling nemen is voldaan (art. 8:92) of het verzoek is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits verzoeker in de gelegenheid is gesteld het verzuim binnen een redelijke termijn te stellen.
Artikel 6:14 bepaalt dat het orgaan waarbij een bezwaar- of beroepschrift is ingediend, de ontvangst daarvan schriftelijk aan de indiener bevestigt en zo spoedig mogelijk kennis geeft van de indiening aan het bestuursorgaan dat het bestreden besluit nam. Deze bepaling leent zich voor overeenkomstige toepassing op de verzoekschriftprocedure. De bestuursrechter waarbij het verzoekschrift is ingediend bevestigt de ontvangst aan de verzoeker en geeft kennis van de ontvangst van het verzoek aan het bestuursorgaan dat het schadeveroorzakende onrechtmatige besluit nam of de schadeveroorzakende onrechtmatige handeling verrichtte. Tenzij het verzoek om schadevergoeding hangende beroep of hoger beroep wordt gedaan, kan het verzoekschrift pas bij de bestuursrechter worden ingediend acht weken nadat het bestuursorgaan om schadevergoeding is gevraagd. Indien het verzoekschrift direct of te vroeg bij de bestuursrechter wordt ingediend, is deze onbevoegd. Hij zendt het verzoekschrift dan ter behandeling door aan het bestuursorgaan (art. 8:94 juncto 6:15).
Ook artikel 6:17 is van overeenkomstige toepassing verklaard. Indien verzoeker zich laat vertegenwoordigen, zendt de bestuursrechter waarbij het verzoekschrift is ingediend de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de gemachtigde.
Op het intrekken van het verzoek is art. 6:21 van overeenkomstige toepassing verklaard. In beginsel wordt het verzoek schriftelijk ingetrokken, teneinde onzekerheid te voorkomen over de vraag of het verzoek al of niet wordt gehandhaafd. Een uitzondering geldt voor het geval het verzoek tijdens de zitting wordt ingetrokken. Dan mag de intrekking ook mondeling geschieden. Van een mondelinge intrekking van het verzoek dient wel melding te worden gemaakt in het proces-verbaal van de zitting.
Ook artikel 6:24 leent zich voor overeenkomstige toepassing op de verzoekschriftprocedure.
De artikelen van afdeling 8.1.2 (Behandeling door een enkelvoudige en een meervoudige kamer) zijn eveneens van overeenkomstige toepassing verklaard. Indien het verzoekschrift tijdens het beroep of hoger beroep wordt ingediend, zullen deze artikelen niet van toepassing hoeven te zijn omdat het verzoekschrift het beweerdelijk onrechtmatige besluit volgen. Als het verzoekschrift echter wordt ingediend nadat is komen vast te staan dat het schadeveroorzakende besluit onrechtmatig was, kunnen de artikelen van deze afdeling wel worden toegepast.
Aangezien niet uitgesloten is dat in een concreet geval behoefte bestaat aan de mogelijkheid tot verwijzing, voeging en splitsing, zijn de artikelen 8:13 en 8:14 eveneens van overeenkomstige toepassing verklaard. Hetzelfde geldt voor de bepalingen van de afdelingen 8.1.4 (wraking en verschoning van rechters), 8.1.5 (partijen) – met uitzondering van artikel 8:28a – 8.1.6 (getuigen, deskundige en tolken) en 8.1.7 (verzending van stukken).
Op grond van artikel 8:41 wordt griffierecht geheven van de verzoeker. De rechter gaat alleen tot behandeling van het verzoekschrift over indien het griffierecht is voldaan. Is het griffierecht niet tijdig voldaan, dan wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Indien de rechter het verzoek toewijst, wordt het griffierecht vergoed (artikel 8:74). Als het schadeverzoek wordt ingediend hangende de procedure tegen het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit, is er sprake van een bijkomend verzoek. Er hoeft dan niet nogmaals griffierecht te worden betaald (tweede lid).
Het bestuursorgaan moet de rechtbank binnen vier weken na verzending van het verzoekschrift alle op de zaak betrekking hebbende stukken toezenden en een verweerschrift indienen (artikel 8:42, eerste lid). Vervolgens zijn schriftelijke repliek en dupliek mogelijk (artikel 8:43). Omdat de artikelen 8:44 tot en met 8:51 van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, is het mogelijk om aan het onderzoek ter terechtzitting een eigen onderzoek door de rechter vooraf te laten gaan. Dit ligt bijvoorbeeld in de rede indien na de stukkenwisseling nog onduidelijkheid bestaat over feiten die voor het oordeel over de schadevergoeding van belang kunnen zijn. De rechter kan partijen dan oproepen om in persoon dan wel bij gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord, al dan niet voor het geven van inlichtingen (artikel 8:44). Partijen worden opgeroepen om, hetzij een mondelinge toelichting of inlichtingen te geven, hetzij om te bezien of een minnelijke schikking mogelijk is. Dit voorschrift opent aldus de mogelijkheid van een schikkingscomparitie. De rechter kan partijen en anderen verzoeken schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden (artikel 8:45). Indien een partij niet voldoet aan deze verplichting kan de rechter daaraan de gevolgen verbinden die hem geraden voorkomen (artikel 8:31). Hij kan eveneens de beslissing op het verzoek aanhouden teneinde een partij in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten of bewijs te leveren. De rechter heeft binnen de kaders van zijn onderzoeksbevoegdheden de ruimte om naar bevind van zaken de materiële waarheid achter het geschil te achterhalen. De benadeelde moet de rechter duidelijk maken voor welke schade hij een vergoeding wil en op welke gronden hij meent daarop aanspraak te kunnen maken (artikel 8:92, eerste lid, aanhef en onder e). Dit is vergelijkbaar met de beroepsprocedure waarin de betrokkene eveneens overeenkomstig artikel 6:5 de gronden van beroep moet aanvoeren. Voorts dient hij de gronden op basis waarvan hij meent aanspraak te maken op schadevergoeding met enig bewijs te onderbouwen (ABRvS 26 oktober 1998, JB 1998/261; ABRvS 26 juni 2002, ABkort 2002, 524). Hiervoor is er al op gewezen dat van de rechter, met name bij meer complexe schadeverzoeken, een actieve opstelling verwacht mag worden. Binnen de grenzen van het geschil, zoals dit wordt bepaald door het verzoek- en verweerschrift en het verhandelde ter zitting, heeft de rechter bovendien de mogelijkheid de feiten zo nodig ambtshalve aan te vullen (artikel 8:69). Wat betreft de behandeling van het verzoekschrift bij de rechter is eveneens aansluiting gezocht bij de procedure en termijnen als neergelegd in afdeling 8.2.5 (artikelen 8:56 tot en met 8:65). Wanneer het verzoek wordt toegewezen en het bestuursorgaan wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, levert deze uitspraak een executoriale titel in de zin van artikel 430, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op. Artikel 8:76 is daartoe gewijzigd. Het is wenselijk dat in de verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter bij wege van voorlopige voorziening een voorschot op de schadevergoeding kan worden gevraagd. In artikel 8:94 worden de artikelen 8:81 en volgende dan ook van overeenkomstige toepassing verklaard. Alleen in die gevallen waarin ook een bodemprocedure aanhangig is, kan een verzoek worden gedaan tot het verlenen van een voorlopige voorziening (het zogenoemde connexiteitsvereiste). In zaken waarin de bestuursrechter exclusief bevoegd is moet het niet zo zijn dat de burger, indien een schadevergoedingsprocedure aanhangig is, zich voor een voorschot op de schadevergoeding kan wenden tot de burgerlijke rechter. Vraagt een burger om schadevergoeding bij de bestuursrechter, dan moet hij ook bij deze rechter om een voorschot verzoeken. Het karakter van de schadeverzoekschriftprocedure van titel 8.4 waarvan de voorschotregeling deel uitmaakt, brengt met zich dat de burgerlijke rechter een benadeelde die een bestuursrechtelijke schadeverzoekschriftprocedure aanhangig heeft gemaakt dan ook niet-ontvankelijk dient te verklaren indien hij in een kort-gedingprocedure vraagt om een voorschot. Dit geldt niet in de zaken bedoeld in artikel 8:89, tweede lid. Bij deze kleinere schadezaken heeft de burgerlijke rechter altijd een aanvullende competentie. Het ligt echter voor de hand dat als er eenmaal gekozen is om naar de bestuursrechter te gaan, ook een eventueel verzoek om voorlopige voorziening bij de bestuursrechter wordt gedaan. Voor de goede orde zij opgemerkt dat artikel 8:119 eveneens van toepassing is op uitspraken over schadeverzoeken op grond van deze titel. Het was niet nodig dit in artikel 8:94 te bepalen aangezien het reeds rechtstreeks uit artikel 8:119 volgt. Indien de beweerdelijke schade is veroorzaakt door een in artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoeld besluit, zoals een belastingaanslag, is hoofdstuk V van die wet van toepassing.

Gewijzigd voorstel van wet

Artikel 8:94
1. Op het verzoek en de behandeling daarvan zijn de artikelen 6:6, 6:14, 6:15, 6:17, 6:21, 6:24, 8:8 tot en met 8:28, 8:29 tot en met 8:51, 8:52 tot en met 8:55, 8:56 tot en met 8:69, 8:71, 8:74 tot en met 8:80 en 8:81 tot en met 8:87 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing is indien de schade is veroorzaakt door een besluit als bedoeld in artikel 26 van die wet.
2. In afwijking van het eerste lid is bij indiening van het verzoek overeenkomstig artikel 8:91 geen griffierecht verschuldigd.

 

 

Share This