Artikel 9:8

1. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging:
a. waarover reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van de artikelen 9:4 en volgende is behandeld;
b. die langer dan een jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden;
c. waartegen door de klager bezwaar gemaakt had kunnen worden,
d. waartegen door de klager beroep kan worden ingesteld, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of beroep kon worden ingesteld;
e. die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter onderworpen is, dan wel onderworpen is geweest of,
f. zolang terzake daarvan een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en terzake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is.
2. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.
3. Van het niet in behandeling nemen van de klacht wordt de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis gesteld. Artikel 9:12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Dit artikel is met ingang van 31 maart 2004 ingevoerd bij wet van 12 mei 1999 Stb. 214 (wetsvoorstel 25 837).

[Eindtekst] Artikel 9:8
1. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging:
a. waarover reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van de artikelen 9:4 en volgende is behandeld;
b. die langer dan een jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden;
c. waartegen door de klager bezwaar gemaakt had kunnen worden,
d. waartegen door de klager beroep kan of kon worden ingesteld;
e. die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter onderworpen is, dan wel onderworpen is geweest of,
f. zolang terzake daarvan een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en terzake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is.
2. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.
3. Van het niet in behandeling nemen van de klacht wordt de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis gesteld.

Tekst RvS

Artikel 9:8, eerste lid,
f. die deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en terzake van het desbetreffende feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel onherroepelijk uitspraak is gedaan.
In artikel 9:8 is onder vernummering van het tweede lid tot derde lid een nieuw tweede lid toegevoegd, luidende:
2. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.

Advies RvS

1b. In artikel 9:8, eerste lid, is bepaald in welke gevallen het bestuursorgaan niet verplicht is een klacht te behandelen. In onderdeel f is een uitzondering opgenomen met betrekking tot een gedraging die deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en terzake van het desbetreffende feit de strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen dan wel onherroepelijk uitspraak is gedaan. Het is niet duidelijk hoe dit onderdeel zich verhoudt tot onderdeel e van genoemd artikellid. Volgens de toelichting op artikel 9:8, eerste lid, onderdeel e, wordt met «een andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter» in het bijzonder de burgerlijke rechter bedoeld. Uit de tekst van het onderdeel blijkt dat echter niet. Wordt die naar de letter genomen – zodat ook de strafrechter eronder valt – dan lijkt onderdeel f evenwel overbodig. De Raad adviseert daarom onderdeel e duidelijker te formuleren. Indien er redenen bestaan om voor de strafrechter een afzonderlijk onderdeel te formuleren, verdient het aanbeveling onderdeel f ook betrekking te doen hebben op de behandeling van klachten, voorafgaande aan het onderzoek ter terechtzitting.
2. In de toelichting op artikel 9:8, eerste lid, wordt erop gewezen dat er niet voor is gekozen om naar analogie van artikel 14, onderdeel b, van de Wet Nationale ombudsman (WNo) de mogelijkheid te bieden een klacht buiten behandeling te laten indien de klacht kennelijk ongegrond is of het belang van de klager of het gewicht van de gedraging te gering is. Als argument hiervoor wordt aangevoerd dat aan het belang van de klager en het gewicht van zijn bezwaren niet tekort mag worden gedaan.
Naar het oordeel van de Raad springt bij een afweging tussen enerzijds de omvang van de verplichting tot behandeling van klachten en anderzijds de daarmee gepaard gaande bestuurslasten de categorie kennelijk ongegronde klachten in het oog. Uit de toelichting op artikel 14, onderdeel b, WNoblijkt dat in dergelijke gevallen van een tekort doen aan de belangen van de klager of het gewicht van zijn klachten geen sprake is. Volgens deze toelichting is het woord «kennelijk» toegevoegd «om duidelijk tot uitdrukking te brengen dat het hier alleen gaat om gevallen waarin de ongegrondheid, zonder dat de ombudsman onderzoek van enige betekenis behoeftte doen, kan worden vastgesteld. De term ongegrond heeft betrekking op het van een onderzoek door de Nationale ombudsman te verwachten resultaat en niet op de afwezigheid van genoegzame gronden in het verzoekschrift» (kamerstukken II 1985/86, 19 426, nr. 3, blz. 13). Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom ten aanzien van deze categorie een onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen het bestuursorgaan dat de klacht in eerste instantie beoordeelt en de Nationale ombudsman. Naar de mening van het college leidt de verplichting tot de behandeling van kennelijk ongegronde klachten dan ook tot een verhoging van bestuurslasten die in geen verhouding staat tot het met een regeling inzake zorgvuldige klachtenbehandeling te dienen doel. Daarom verdient het de voorkeur dat ten aanzien van de kennelijk ongegronde klachten een uitzondering wordt gemaakt op de verplichting tot behandeling. Een minder vergaande optie zou kunnen zijn de kennelijk ongegronde klachten vereenvoudigd af te doen, waarbij van het horen van de klager – ingevolge artikel 9:10 – kan worden afgezien. Een soortgelijke uitzondering op de hoorplicht is opgenomen in artikel 7:3, onderdeel b, Awb, waar het de behandeling van het bezwaar betreft. In dat geval zou de genoemde uitzondering kunnen worden ondergebracht in artikel 9:10, tweede lid.
Gelet op het voorgaande adviseert de Raad de behandeling van kennelijk ongegronde klachten in artikel 9:8, eerste lid, uit te zonderen van de verplichting tot behandeling. Subsidiair beveelt het college aan artikel 10, tweede lid, te wijzigen in die zin dat ook de kennelijk ongegronde klachten worden uitgezonderd van de hoorplicht.

Nader rapport

1b. Artikel 9:8, eerste lid, onder e, ziet op gedragingen die door het instellen van een procedure door de burger aan een andere dan een administratieve rechter ter beoordeling kunnen worden voorgelegd. Onderdeel f van dit artikel heeft betrekking op gedragingen die onderwerp van onderzoek door de strafrechter zijn of zijn geweest. Laatstgenoemde gedragingen kunnen niet door het instellen van een procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. Hierbij moeten twee situaties worden onderscheiden. In de eerste plaats kan de gedraging waarop de klacht betrekking heeft als een aan een (opsporings-) ambtenaar telastegelegd feit aan de strafrechter zijn voorgelegd door het OM. In andere gevallen is de gedraging waarover geklaagd wordt niet het telastegelegde feit, maar kan de gedraging door die rechter worden beoordeeld bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het OM of de rechtmatigheid van het bewijs terzake van een aan een ander telastegelegd feit. In beide gevallen is het ongewenst dat het bestuursorgaan verplicht is tot het onderzoeken van de klacht. Zonder opneming van onderdeel f zou het bestuursorgaan evenwel niet (tijdelijk) kunnen afzien van behandeling. Anders dan de Raad meent de regering derhalve dat onderdeel f niet overbodig is. Wel is het nodig de beide beschreven situaties beter in onderdeel f tot uitdrukking te brengen.
De regering meent met de Raad dat het wenselijk is onderdeel f ook betrekking te laten hebben op de behandeling van klachten, voorafgaande aan het onderzoek ter terechtzitting. De redactie is voorts verhelderd, waarbij is aangesloten bij de formulering van artikel 66 van de Politiewet. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging zo lang ter zake van die gedraging een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is alsmede indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en ter zake van dat strafbare feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is.
2. Na ampele overweging is de regering overtuigd van de wenselijkheid om – analoog aan artikel 14, onderdeel b, van de Wet No – de mogelijkheid te bieden een klacht buiten behandeling te laten, indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging te gering is. De regering deelt de voorkeur van de Raad voor een bepaling die het mogelijk maakt in deze gevallen behandeling geheel achterwege te laten, boven een bepaling die het bestuursorgaan uitsluitend ontslaat van de hoorplicht. De Nationale ombudsman dan wel een andere externe voorziening ziet erop toe dat geen oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van een dergelijke bepaling. Artikel 9:8 is in verband met het voorgaande aangevuld met een nieuw tweede lid: behandeling van de klacht kan voorts achterwege blijven indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is. Anders ligt dit met betrekking tot klachten die kennelijk ongegrond zijn. Om te kunnen vaststellen of een klacht kennelijk ongegrond is, is een zekere beoordeling vereist. Dit impliceert dat daaraan voorafgaand de klacht wel in behandeling moet worden genomen. Om die reden wordt voorgesteld om in artikel 9:10, tweede lid, te regelen dat van het horen kan worden afgezien, indien de klacht kennelijk ongegrond is. Aan de memorie van toelichting is een nadere toelichting op deze bepalingen toegevoegd.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

– Algemeen
De indiening van een klaagschrift dat voldoet aan de in artikel 9:4 gestelde eisen, schept voor het bestuursorgaan een verplichting tot onderzoek ter zake, behoudens in de gevallen die in het eerste lid van dit artikel zijn opgesomd. Nadrukkelijk zij er op gewezen dat deze bepaling facultatief is geformuleerd. Het bestuursorgaan is in die gevallen niet verplicht, maar wel bevoegd, de klacht te behandelen.

– Herhaalde klacht
Het ligt in het algemeen niet in de rede in een geval waarin geklaagd wordt over een gedraging die reeds eerder overeenkomstig de artikelen 9:4 en volgende is onderzocht, nogmaals tot een onderzoek over te gaan. Bepaald is daarom dat in een dergelijk geval behandeling achterwege kan blijven. Van een herhaalde klacht is geen sprake indien nieuwe feiten en omstandigheden worden aangedragen, die een nieuw licht op de klacht werpen.

– Termijn
De klacht hoeft ook niet meer in behandeling te worden genomen indien de betreffende gedraging langer dan een jaar voor de indiening van het klaagschrift heeft plaatsgevonden. De reden voor het stellen van deze termijn is onder meer gelegen in het feit dat een onderzoek naar feiten die lange tijd geleden hebben plaatsgevonden, lastiger is uit te voeren dan naar meer recente gebeurtenissen. Van de klager mag daarom ook verwacht worden dat hij niet te lang wacht met het indienen van een klacht. In de WNo is eveneens bepaald dat een klacht die meer dan een jaar nadat de gedraging plaatsvond wordt ingediend, niet tot een onderzoek hoeft te leiden. Aan deze één-jaartermijn houdt de Nationale ombudsman als regel strikt de hand. Als een gedraging pas later merkbaar effect heeft kan afwijking van de één-jaartermijn echter in de rede liggen. De Nationale ombudsman verwacht van de burger dan wel zo spoedig mogelijk actie. Wordt vervolgens nog getalmd met het indienen van een klacht, dan fungeert de één-jaartermijn alsnog als beletsel voor onderzoek (Jaarverslag 1993, kamerstukken II 1993/94, 23 655, nrs. 1–2, blz. 106).

– Bezwaar
Indien een belanghebbende bij een bestuursorgaan een geschrift indient waarbij hij opkomt tegen een gedraging waartegen bezwaar openstaat, zal dit, mits het voldoet aan de wettelijke eisen, in het algemeen als een bezwaarschrift moeten worden opgevat. Meestal zal het dan gaan om een besluit; heroverweging van het besluit in de bezwaarschriftprocedure zal dan in het algemeen de beste reactie van de kant van het bestuur zijn. De indiener van het geschrift kan echter een andere bedoeling hebben. Het is denkbaar dat hij het genomen besluit wel als juist accepteert, maar ontevreden is over de manier waarop dit is voorbereid of is gemotiveerd, en daarover een klacht indient. Indien dit de bedoeling van de indiener is, zal het bestuursorgaan die moeten respecteren, al zal het niet te snel kunnen aannemen dat geen heroverweging van het besluit wordt gewenst. In elk geval zal de klager zich wel bewust moeten zijn van de consequentie van zijn keuze. Bij keuze voor de interne klachtprocedure zal een vervolgprocedure bij de bestuursrechter in het algemeen niet meer mogelijk zijn in verband met het verstrijken van de beroepstermijn. Ook is het mogelijk dat zowel een klacht als een bezwaar wordt ingediend. Het bestuursorgaan kan de klacht volgens eenzelfde procedure behandelen als het bezwaar, en zou dus beide in dezelfde procedure kunnen inbrengen. De regeling van de klachtbehandeling is zodanig opgezet, dat het volgen van de regels voor de bezwaarschriftprocedure tevens aan de eisen voor klachtbehandeling tegemoet kan komen, indien men daarbij tevens de artikelen 9:9 (toezending van de klacht aan degene over wie geklaagd wordt) en 9:10 (horen) in acht neemt, en het bestuursorgaan ook op de klacht beslist.
Indien een klacht wordt ingediend nadat de termijn voor bezwaar is verstreken – en er niet al een bezwaarschriftprocedure loopt waarin de klacht nog meegenomen kan worden – zal in het kader van de klachtprocedure in veel gevallen een onderzoek moeten plaatsvinden dat gelijkenis vertoont met het onderzoek in de bezwaarschriftprocedure. Teneindete voorkomen dat de klachtprocedure oneigenlijk wordt gebruikt door hen, die te laat zijn met het indienen van een bezwaarschrift, is in onderdeel c bepaald dat het bestuursorgaan niet verplicht is een klacht te behandelen indien zij een gedraging betreft waartegen bezwaar had kunnen worden gemaakt.

– Beroep
Indien tegen de gedraging beroep bij de administratieve rechter, administratief beroep dan wel een tuchtrechtelijke voorziening mogelijk is of is geweest, bestaat evenmin een verplichting tot het volgen van de procedure van klachtbehandeling. Hierbij gaat het meestal om besluiten.
In die gevallen hebben reeds adekwate procedures opengestaan; het ligt dan doorgaans niet in de rede die procedures te doorkruisen door los daarvan tot behandeling van een klacht over diezelfde gedraging over te gaan. Onder omstandigheden kan een behandeling van de klacht overigens wel zinvol zijn: het bestuursorgaan blijft daartoe bevoegd. In zoverre wijkt de regeling af van die van de Nationale ombudsman. Deze is immers niet bevoegd de klacht te behandelen, indien nog een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening openstaat dan wel indien ingevolge een zodanige voorziening door een rechterlijke instantie uitspraak is gedaan (artikel 16 Wet Nationale ombudsman); de reden van deze uitzonderingen is dat de Nationale ombudsman een externe instantie is. In dit hoofdstuk gaat het echter om een interne klachtbehandeling; er is, gelet op de aard van de interne klachtprocedure, geen bezwaar tegen het bestuursorgaan zelf wel bevoegd, maar niet verplicht te achten de klacht te behandelen.
De bepaling onder d geldt in alle gevallen waarin beroep openstaat of heeft open gestaan, dus ook nadat op het beroep is beslist.

– de burgerlijke rechter
Een gedraging die voorwerp van onderzoek is bij de burgerlijke rechter, behoeft gedurende de tijd dat de desbetreffende procedure aanhangig is, en voorts nadat een uitspraak in die zaak is gedaan, gelet op onderdeel e niet in het kader van de interne klachtprocedure te worden onderzocht.

– klachten over gedragingen van politie en OM in het kader van opsporing en vervolging
Onderdeel f regelt de mogelijke samenloop van een klacht over met een strafrechtelijke procedure waarbij deze gedraging eveneens – mede – wordt getoetst. Hierbij moeten twee situaties worden onderscheiden. In de eerste plaats kan de gedraging waarop de klacht betrekking heeft als telastegelegd feit aan de strafrechter zijn voorgelegd door het OM. In andere gevallen is het telastegelegde feit niet de gedraging waarover geklaagd wordt, maar kan de gedraging door die rechter worden beoordeeld bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het OM of de rechtmatigheid van het bewijs. In beide gevallen is het ongewenst dat het bestuursorgaan verplicht is tot het onderzoeken van de klacht. Het bestuursorgaan is ingevolge onderdeel f dan ook niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging zo lang ter zake van die gedraging een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is alsmede indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en ter zake van dat strafbare feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is.
De bevoegdheid de klacht te onderzoeken blijft evenwel bestaan, ook nadat uitspraak is gedaan in de strafzaak. In de praktijk zal het bestuursorgaan moeten bezien of er sprake is van een zodanige samenhang tussen de gedraging waarover wordt geklaagd en de strafzaak waarin die gedraging – mede – wordt getoetst, dat het in behandeling nemen van de klacht een onwenselijke samenloop met de strafprocedure oplevert.

Tweede lid
Naar analogie van artikel 14, onder b en c, van de Wet No wordt in het tweede lid de mogelijkheid geboden een klacht buiten behandeling te laten, indien het belang van de klager of het gewicht van de gedraging te gering is. Volledige behandeling van dit soort klachten kan een te zware belasting met zich brengen voor bestuursorganen. Uiteraard mag een bestuursorgaan niet lichtvaardig besluiten om op die gronden van de behandeling van de klacht af te zien. Zou dat in een enkel geval wel gebeuren dan kan men zich tot de Nationale ombudsman dan wel een eventuele andere externe klachtvoorziening wenden die derhalve op een juist gebruik van deze bevoegdheid kan toezien.

Derde lid
Krachtens het derde lid van dit artikel wordt de klager van de redenen van het niet in behandeling nemen zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld. De uiterste termijn van vier weken is overeenkomstig de termijn voor het bekendmaken van het besluit om een aanvraag niet in behandeling te nemen (artikel 4:5, vierde lid, Awb). Deze bepaling sluit tevens aan bij artikel 17, eerste lid, eerste volzin, Wet Nationale ombudsman. Nu het hier gaat om een besluit schrijft artikel 3:47, eerste lid, voor dat bij de bekendmaking ervan tevens de motivering wordt vermeld. Veel klachten hebben betrekking op het niet tijdig nemen van een besluit.
Ingevolge artikel 6:2, onder b, en 6:12, eerste lid, Awb kan tegen een fictief besluit bezwaar (of, indien het een besluit op bezwaar betreft: beroep) worden ingesteld. Daarvoor geldt geen termijn, zij het dat ingevolge artikel 6:12, derde lid, een bezwaarschrift in zo’n geval niet onredelijk laat mag zijn ingediend. In een aantal gevallen zal het klaagschrift dan in beginsel moeten worden aangemerkt als bezwaarschrift. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering, indien de klager te kennen geeft er prijs op te stellen dat zijn brief wordt aangemerkt als een klaagschrift en niet als een bezwaarschrift. Ook indien het klaagschrift is ingediend na het verstrijken van de termijn waarbinnen een bezwaarschrift nog tijdig zou zijn ingediend, kan de klacht nog in behandeling worden genomen. In elk geval mag de klager de termijnoverschrijding, die mede het gevolg is van een talmende opstelling van de overheid, niet worden tegengeworpen.

Verslag

In de memorie van toelichting (blz. 19) stelt de regering dat een klacht over het niet tijdig nemen van een besluit nog in behandeling kan worden genomen, ook indien het klaagschrift is ingediend na het verstrijken van de termijn waarbinnen een bezwaarschrift nog tijdig zou zijn ingediend, aldus de leden van de D66-fractie. In elk geval mag de termijn overschrijding, die mede het gevolg is van een talmende opstelling van de overheid, de klager niet worden tegengeworpen. Deze redenering komt de D66-fractie redelijk voor, doch wordt in de wettekst niet consequent doorgevoerd. Want hoe moet in dit verband artikel 9:8 aanhef en onderdelen c en d worden gelezen? Indien na afloop van de – ongebruikt verstreken – termijn voor het gebruik van rechtsbeschermingsmogelijkheden een klacht wordt ingediend over niet-tijdig beslissen, is het bestuursorgaan op grond van die bepaling niet verplicht, maar wel bevoegd de klacht te behandelen. Betekent dit dat de het bestuursorgaan met betrekking tot niet-tijdig genomen besluiten toch – in tegenstelling tot hetgeen de regering in de memorie van toelichting op blz. 19 zegt – om de vrijheid heeft om termijnoverschrijding wél aan de klager tegen te werpen? Een hoe verhoudt de aangehaalde passage (blz. 19) zich tot de opmerking, dat de klachtprocedure oneigenlijk wordt gebruikt door hen die hun bezwaartermijn hebben laten verstrijken, en dat daarom uitdrukkelijk in de wet is bepaald dat het bestuursorgaan in zo’n geval niet verplicht is de klacht te behandelen (blz. 18)? Zowel in het algemeen deel van de memorie van toelichting als in de artikelsgewijze toelichting is een beschouwing opgenomen over de samenloop van een klachtprocedure met een bezwaarschriftprocedure.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering een gecombineerde behandeling mogelijk acht. Hoewel zij onderkennen dat een en ander praktisch kan zijn, werpen zij toch de vraag op of een samenloop wordt ervaren als een onduidelijkheid oproepende vermenging. Deze leden zijn met de regering van mening dat voorkomen moet worden dat de klachtprocedure oneigenlijk wordt gebruikt door diegenen die een bezwaartermijn hebben laten verstrijken. Tenslotte vragen zij bij dit artikel aandacht voor de verhouding tussen het voorgestelde hoofdstuk 9 en artikel 6:3 Awb en met name voor de vraag of door het indienen van een klacht de toepassing van artikel 6:3 Awb omzeild zou kunnen worden.

Nota naar aanleiding van het verslag

De leden van de D66-fractie vragen hoe artikel 9:8 aanhef en onderdelen c en d, moeten worden gelezen in verband met de bedoeling van de regering om de klager niet de dupe te laten zijn van een talmende opstelling van de overheid. Deze leden vinden dat wettekst en toelichting op dit punt niet geheel met elkaar in overeenstemming zijn. De regering stelt voorop dat bezwaar of beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een harde termijn is gebonden; de wet zegt hierover alleen dat het bezwaar- of beroepschrift niet onredelijk laat mag worden ingediend (artikel 6:12). Een niet-ontvankelijkverklaring van de indiener van het bezwaar- of beroepschrift zal in zo’ngeval daarom in veel gevallen achterwege blijven. Los van het feit dat niet zo gemakkelijk kan worden vastgesteld wanneer een bezwaar- of beroepschrift tegen een fictief besluit te laat is ingediend, blijkt uit de toelichting dat artikel 9:8 aanhef en onderdelen c en d niet de bedoeling heeft om klagers de dupe te laten worden van trage besluitvorming door de overheid. Iemand die een klacht indient wegens het niet (tijdig) nemen van een besluit, zal dan ook in de regel geen oneigenlijk gebruik van de klachtprocedure kunnen worden verweten. De regering meent dat de wettekst in combinatie met de toelichting dan ook voldoende duidelijkheid biedt. De leden van de SGP-fractie werpen de vraag op of een samenloop van een klachtprocedure en een bezwaarschriftprocedure zal worden ervaren als een vermenging die onduidelijkheid oproept. Zij zijn het met de regering eens dat voorkomen moet worden dat de klachtprocedure oneigenlijk wordt gebruikt door diegenen die een bezwaartermijn hebben laten verstrijken. De regering denkt niet dat er een groot gevaar bestaat voor onduidelijkheid door samenloop van een klacht- en een bezwaarschriftprocedure. Wanneer iemand tegen een bepaalde gedraging zowel een klacht als een bezwaarschrift indient, kan het bestuursorgaan ervoor kiezen om de klacht volgens eenzelfde procedure te behandelen als het bezwaar, maar het is daartoe niet verplicht. Door de inrichting van afdeling 9.2 is gezamenlijke behandeling goed mogelijk. Voor de behandeling van een klacht gelden grotendeels dezelfde eisen als voor de behandeling van een bezwaarschrift. De leden van de fracties van D66 en SGP vragen ook aandacht voor de verhouding tussen het voorgestelde hoofdstuk 9 en artikel 6:3. Kan door het indienen van een klacht de toepassing van artikel 6:3 worden omzeild, zo vragen zij. Artikel 6:3 bepaalt dat een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit in beginsel niet vatbaar is voor bezwaar of beroep. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat loutere procedurebeslissingen aan bezwaar of beroep kunnen worden onderworpen. Zulke procedure-beslissingen kunnen uiteraard wel in de procedure over de hoofdzaak door de administratieve rechter worden getoetst. Artikel 9:1 is ruim geformuleerd: een ieder heeft het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij dat bestuursorgaan. Het is mogelijk dat iemand op grond van hoofdstuk 9 een klacht indient over een procedurebeslissing, bijvoorbeeld over een beslissing om een belanghebbende overeenkomstig artikel 4:11 niet vooraf te horen bij de voorbereiding van een beschikking. Dat kan echter niet worden gezien als een omzeilen van artikel 6:3. Het indienen van een klacht tegen een procedure-beslissing is immers niet gericht op het verkrijgen van een rechtens bindende beslissing en verschilt daardoor wezenlijk van de mogelijkheid om bezwaar te maken. De regering wijst er voorts op, dat de Nationale ombudsman ook thans reeds bevoegd is een oordeel te geven over een procedure-beslissing. In zoverre sluit hoofdstuk 9 dan ook goed aan bij de Wet Nationale ombudsman. De leden van de fractie van het CDA vragen waarom uit onderdeel e van het eerste lid, niet blijkt dat deze bepaling is beperkt tot samenloop van de klachtprocedure met civiele procedures. Op deze plaats is zo veel mogelijk aangesloten bij de terminologie van de Wet Nationale ombudsman (met name artikel 14, onder g en artikel 16, onder d).

Dit artikel is met ingang van 15 maart 2005 gewijzigd bij wet van 3 februari 2005 Stb. 71 (wetsvoorstel 28 747)

[Eindtekst] Artikel 9:8 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:
d. waartegen door de klager beroep kan worden ingesteld, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of beroep kon worden ingesteld;
2. Aan het derde lid wordt een zin toegevoegd, luidende:
Artikel 9:12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

VO=VvW

Voorstel van wet

Aan artikel 9:8, derde lid, wordt een zin toegevoegd, luidende:
Artikel 9:12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Memorie van toelichting

Tijdens de behandeling van het Jaarverslag 1999 van de Nationale ombudsman is de wens naar voren gekomen om ook voor het klachtrecht een algemene rechtsgangverwijzing in de Awb op te nemen. Daarbij werd gewezen op het feit dat het bestuursorgaan niet in alle gevallen toekomt aan een situatie waarop artikel 9:12 ziet, te weten, het na een onderzoek aan de klager meedelen van de bevindingen en conclusies, en het vervolgens wijzen op de externe klachtmogelijkheid. Dit blijft achterwege als het bestuursorgaan de klacht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Denkbaar is dat dit oordeel achteraf onjuist blijkt te zijn en de vraag is of ook in zo’n geval niet gewezen zou moeten worden op de externe klachtvoorziening, zo viel in de Kamer te beluisteren. Daarom wordt voorgesteld om aan artikel 9:8, derde lid, een tweede volzin toe te voegen waarin de bepaling van artikel 9:12, tweede lid, van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Dit brengt mee dat wanneer het bestuursorgaan de klager in kennis stelt van het feit dat zijn klacht niet in behandeling wordt genomen, hij daarbij tevens gewezen wordt op de klachtmogelijkheid bij een ombudsman.

Nota van wijziging

Artikel 9:8 wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 9:8, eerste lid, onderdeel e, wordt «administratieve rechter» vervangen door: bestuursrechter.
1. Het eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:
d. waartegen door de klager beroep kan worden ingesteld, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of beroep kon worden ingesteld;
2. Aan het derde lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Artikel 9:12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst] In artikel 9:8, eerste lid, onderdeel e, wordt «administratieve rechter» vervangen door: bestuursrechter.

Voorontwerp

In de artikelen 9:8, eerste lid, onderdeel e, wordt “administratieve rechter”  vervangen door: bestuursrechter.

Voorstel van wet

In artikel 9:8, eerste lid, onderdeel e, wordt “administratieve rechter” vervangen door:
bestuursrechter.

Memorie van toelichting

Deze wijziging houdt verband met de vervanging van de termen administratieve rechter en administratieve rechtspraak door bestuursrechter en bestuursrechtspraak. Zie de toelichting bij artikel 1:4.

 

 

 

Share This