Artikel 9:23

De ombudsman is niet verplicht een onderzoek in te stellen of voort te zetten indien:
a. het verzoekschrift niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 9:28, eerste en tweede lid;
b. het verzoek kennelijk ongegrond is;
c. het belang van de verzoeker bij een onderzoek door de ombudsman dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is;
d. de verzoeker een ander is dan degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden;
e. het verzoek betrekking heeft op een gedraging waartegen bezwaar kan worden gemaakt, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of waartegen een bezwaarprocedure aanhangig is;
f. het verzoek betrekking heeft op een gedraging waartegen door de verzoeker bezwaar had kunnen worden gemaakt, beroep had kunnen worden ingesteld of beklag had kunnen worden gedaan;
g. het verzoek betrekking heeft op een gedraging ten aanzien waarvan door een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter uitspraak is gedaan;
h. niet is voldaan aan het vereiste van artikel 9:20, eerste lid;
i. een verzoek, dezelfde gedraging betreffende, bij hem in behandeling is of – behoudens indien een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid bekend is geworden en zulks tot een ander oordeel over de bedoelde gedraging zou hebben kunnen leiden – door hem is afgedaan;
j. ten aanzien van een gedraging van het bestuursorgaan die nauw samenhangt met het onderwerp van het verzoekschrift een procedure aanhangig is bij een rechterlijke instantie, dan wel ingevolge bezwaar, administratief beroep of beklag bij een andere instantie;
k. het verzoek betrekking heeft op een gedraging die nauw samenhangt met een onderwerp, dat door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter onderworpen is;
l. na tussenkomst van de ombudsman naar diens oordeel alsnog naar behoren aan de grieven van de verzoeker tegemoet is gekomen;
m. het verzoek, dezelfde gedraging betreffende, ingevolge een wettelijk geregelde klachtvoorziening bij een onafhankelijke klachtinstantie niet zijnde een ombudsman in behandeling is of daardoor is afgedaan.

 

Dit artikel is met ingang van 15 maart 2005 ingevoerd bij wet van 3 februari 2005 Stb. 71 (wetsvoorstel 28 747)

VO=VvW, behoudens sub f en k die in het VO luidde:
Artikel 9.2.2.2 (9:22)
f. het verzoek betrekking heeft op een gedraging die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter onderworpen is geweest;
k. het verzoek betrekking heeft op een gedraging naar aanleiding waarvan de ombudsman heeft bevorderd dat alsnog naar behoren aan de grieven tegemoet is gekomen;

Voorstel van wet

De ombudsman is niet verplicht een onderzoek in te stellen of voort te zetten indien:
a. het verzoekschrift niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 9:28, eerste en tweede lid;
b. het verzoek kennelijk ongegrond is;
c. het belang van de verzoeker bij een onderzoek door de ombudsman dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is;
d. de verzoeker een ander is dan degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden;
e. het verzoek betrekking heeft op een gedraging waartegen door de verzoeker bezwaar had kunnen worden gemaakt, beroep had kunnen worden ingesteld of beklag had kunnen worden gedaan;
f. het verzoek betrekking heeft op een gedraging ten aanzien waarvan door een andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter uitspraak is gedaan;
g. niet is voldaan aan het vereiste van artikel 9:20, eerste lid;
h. een verzoek, dezelfde gedraging betreffende, bij hem in behandeling is of – behoudens indien een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid bekend is geworden en zulks tot een ander oordeel over de bedoelde gedraging zou hebben kunnen leiden – door hem is afgedaan;
i. ten aanzien van een gedraging van het bestuursorgaan die nauw samenhangt met het onderwerp van het verzoekschrift een procedure aanhangig is bij een rechterlijke instantie, dan wel ingevolge bezwaar, administratief beroep of beklag bij een andere instantie;
j. het verzoek betrekking heeft op een gedraging die nauw samenhangt met een onderwerp, dat door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter onderworpen is;
k. na tussenkomst van de ombudsman naar diens oordeel alsnog naar behoren aan de grieven van de verzoeker tegemoet is gekomen;
l. het verzoek, dezelfde gedraging betreffende, ingevolge een wettelijk geregelde klachtvoorziening bij een onafhankelijke klachtinstantie niet zijnde een ombudsman in behandeling is of daardoor is afgedaan.

Memorie van toelichting

Dit artikel regelt dat een klachtinstantie onder bepaalde omstandigheden niet verplicht, maar wel bevoegd is een onderzoek in te stellen of voort te zetten. Dit artikel is gebaseerd op artikel 14 van de WNo (oud). De terminologie is aangepast aan het vergelijkbare artikel 9:8 van de Awb. In het algemeen deel van de toelichting is al uitvoerig op het begrip «beklag» ingegaan.

Onderdeel e
Met de formulering «had kunnen …» in onderdeel e wordt aangesloten bij de formulering die gebruikt is in artikel 9:8, eerste lid, onderdeel c. Het gaat hier om de situatie waarbij voor de verzoeker de mogelijkheid van bezwaar, beroep of beklag heeft opengestaan, maar hij van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt (vergelijk artikel 14, onderdeel g, van de WNo(oud)).

Onderdeel g
Anders dan in artikel 14, onderdeel h, van de WNo (oud) wordt in het hier voorgestelde onderdeel g, volstaan met de gekozen, kortere, redactie. Nadere bestudering van de zinsnede «tenzij van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de behandeling van de klacht door het bestuursorgaan verder afwacht», zoals opgenomen in artikel 14 van de WNo (oud), heeft geleerd dat deze uitzondering zich moeilijk verhoudt met de in het eerste deel van de bepaling beoogde situatie en aanleiding tot verwarring kan geven. Bedoeld is aan te geven dat de ombudsman niet verplicht is een onderzoek aan te vangen of voort te zetten als de verzoeker niet eerst een klacht heeft ingediend bij het bestuursorgaan (kenbaarheidsvereiste). Zolang verzoeker nog geen klacht heeft ingediend, kan hij echter evenmin de afhandeling daarvan afwachten. Als wel een klacht is ingediend maar de behandeling daarvan onvoldoende voortvarend plaatsvindt of wanneer om andere reden niet gevergd kan worden dat betrokkene nog langer wacht, biedt de voorgestelde regeling voldoende ruimte voor de ombudsman om een verzoek in behandeling te nemen (zie ook hierna bij onderdeel k).

Onderdeel k
Onderdeel k ziet op de interventiemethode, die steeds vaker door de Nationale ombudsman (en andere klachtinstanties) wordt gebruikt (zie bijv. Jaarverslag 1997, p. 31 en Gemeentelijke Ombudsman Rotterdam, Verslag van werkzaamheden 1997/1998, blz. 13).
Als de Nationale ombudsman besluit om naar aanleiding van een verzoekschrift een onderzoek in te stellen, kan hij dat op twee manieren doen. In de eerste plaats kan hij onderzoek doen naar de feitelijke toedracht van de gedragingen van het bestuursorgaan en de bevindingen en aanbevelingen vastleggen in een rapport. In de tweede plaats kan gebruik worden gemaakt van de zogenaamde interventiemethode. Deze methode wordt vooral gevolgd voor die zaken waarin de klager een direct belang heeft bij een snelle tussenkomst van de Nationale ombudsman, gericht op het wegnemen van het probleem dat aanleiding was voor de klacht, en waarin de verwachting bestaat dat zo’ntussenkomst effectief zal kunnen zijn. Vaak leidt dit tot een snelle oplossing en is het niet meer noodzakelijk een rapport uit te brengen, nu de verzoeker reeds tevreden is gesteld. Interventie kan alleen aan de orde komen als de klachtinstantie bevoegd is de gedraging te onderzoeken en de klager in beginsel ontvankelijk is in zijn verzoek (vgl. Jaarverslag 1994 van de Nationale ombudsman, blz. 51).
Het is de eigen verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om al dan niet aan een interventie mee te werken. Is het niet bereid tot medewerking (en is de interventie dus mislukt) dan zal het onderzoek moeten worden voortgezet en rapport moeten worden uitgebracht.
Bij de formulering van onderdeel l is bewust gekozen voor het begrip «grieven», in plaats van klacht of verzoek, om aan te geven dat interventie zowel kan plaatsvinden in de fase dat er nog sprake is van klachtbehandeling bij het bestuursorgaan (maar deze bijvoorbeeld onvoldoende voortvarend plaatsvindt), als in de fase dat er een verzoek is gedaan bij de ombudsman. Een geslaagde interventie ontslaat de klachtinstantie van de plicht het onderzoek te voltooien en een rapport uit te brengen. Niettemin zal vermelding – in geaggregeerde vorm- in het jaarverslag van de Nationale ombudsman plaatsvinden bij de verslaglegging van de werkzaamheden. Andere ombudsinstanties kunnen dit in hun verslaglegging eveneens doen. Inzicht in de wijze waarop het instrument interventie wordt toegepast, biedt het bestuursorgaan ook informatie voor verbetering van de kwaliteit van het bestuur.

Onderdeel l
Van «beklag» moet worden onderscheiden de situatie waarbij sprake is van een wettelijk geregelde klachtvoorziening bij een onafhankelijke klachtinstantie niet zijnde een ombudsman als bedoeld in dit voorstel. Het gaat dan bijvoorbeeld om de klachtregeling op grond van artikel 1:239, vijfde lid, BW bij de Raad voor de Kinderbescherming. Anders dan bij beklag is een dergelijke uitspraak niet bindend. Om te voorkomen dat, bij gebreke van een met artikel 14, onderdeel f, van de WNo (oud) vergelijkbare bepaling, het in behandeling zijn van een klacht bij een klachtencommissie van de Raad voor de Kinderbescherming de onderzoeksverplichting van de Nationale ombudsman niet (tijdelijk) zou opheffen, wordt de bepaling in onderdeel l voorgesteld.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst] In de artikelen 9:22, onderdelen d en e, 9:23, onderdelen g en k, en 9:24, tweede lid, wordt «administratieve rechter» telkens vervangen door: bestuursrechter.

Voorontwerp

In de artikelen 9:22, onderdelen d en e, 9:23, onderdelen f en j, en 9:24, tweede lid, wordt “administratieve rechter” telkens vervangen door: bestuursrechter.

Voorstel van wet

In de artikelen 9:22, onderdelen d en e, 9:23, onderdelen g en k, en 9:24, tweede lid, wordt “administratieve rechter” telkens vervangen door: bestuursrechter.

Memorie van toelichting

Deze wijziging houdt verband met de vervanging van de termen administratieve rechter en administratieve rechtspraak door bestuursrechter en bestuursrechtspraak. Zie de toelichting bij artikel 1:4.

 

Share This